Rijksbegroting 2005Rijksbegroting 2005  
 
  
  

2/Tweede Kamer der Staten-Generaal



Vergaderjaar 2004-2005


VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII) voor het jaar 2005


2 MEMORIE VAN TOELICHTING

15. MEDIA

15.1 Algemene beleidsdoelstelling

De algemene beleidsdoelstelling is het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-aanbod, bestaande uit radio, televisie, kranten, tijdschriften en internet, dat toegankelijk en betaalbaar is voor alle lagen van de bevolking.


Het beleid betreft de publieke omroep, de aanbieders die op de commerciële omroepmarkt opereren, en het beleid ten aanzien van de pers. Het beleid richt zich ook op vraagstukken van marktordening en technische ontwikkelingen. Er vindt samenwerking plaats met het ministerie van Economische Zaken, die het terrein bekijkt vanuit algemene economische overwegingen en mededinging. Voorts is er samenwerking met dit ministerie op het terrein van de elektronische infrastructuur (waaronder frequenties en kabel).

De pers is in hoofdzaak een marktsector met een bescheiden rol voor het Bedrijfsfonds voor de pers.


De minister van OCW is verantwoordelijk voor het geheel van het publieke omroepbestel in Nederland.


De resultaatverantwoordelijkheid voor de landelijke publieke omroep is overgedragen aan de publieke omroep, van de regionale publieke omroep aan de provincies, en van de lokale publieke omroep aan de gemeenten.

15.2 Nader geoperationaliseerde doelstellingen

15.2.1 De publieke omroep

Wat willen we bereiken?

Doelstelling is op open netten een gevarieerd, kwalitatief hoogstaand radio-, televisie- en internetaanbod, voor alle leeftijds- en bevolkingsgroepen met voldoende draagvlak aan te bieden.

Wat gaan we daarvoor doen?

Publieke omroep is een massacommunicatiemiddel en wordt bekostigd door publieke middelen (en reclame-inkomsten) en is bedoeld voor de gehele bevolking. Er wordt daarom gestreefd naar een substantieel kijk- en luistertijdaandeel voor de drie publieke televisiezenders en vijf radiozenders. Voor televisie wordt gestreefd naar een kijktijdaandeel van circa 40% en een bereik van 85%. Voor radio wordt gestreefd naar behoud van ten minste het huidige luistertijdaandeel van 33%.

Mediawet

De landelijke publieke omroep opereert op basis van een tienjarige concessie, die aan de Nederlandse Omroep Stichting (NOS) is verleend na toetsing van een concessiebeleidsplan. Daarin is aangegeven hoe de publieke omroep aan zijn taakopdracht invulling denkt te geven. In het concessiestelsel (in werking getreden in 2000) voor de landelijke publieke omroep, gaat de aandacht uit naar openheid en aandacht voor moeilijk bereikbare publieksgroepen als jongeren en migranten. Dat vereist kwalitatieve inspanningen waarover de publieke omroep rapporteert in zijn programmatisch jaarverslag.


De algemene taakopdracht van de publieke omroep is beschreven in artikel 13c van de Mediawet. De taken van de publieke omroepinstellingen zijn nader uitgewerkt in verschillende artikelen van de Mediawet en het Mediabesluit. Verder zijn gedetailleerde programmavoorschriften vastgelegd in de Mediawet (art. 48 e.v.). Deze voorschriften bewegen zich op het terrein van informatie, educatie, verstrooiing, kunst, cultuur, Europese en onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige programma's, programma's gericht op minderheden en programma's die ondertiteld zijn voor doven en slechthorenden. Voor de meeste onderdelen gelden minimumpercentages. Op basis van voortdurende registratie en categorisering van programma's (door de NOS) toetst het Commissariaat voor de Media of de publieke omroep aan de voorschriften voldoet. De publieke omroepen voldoen aan de eisen van de programmavoorschriften.


In onderstaande tabel zijn de programmavoorschriften van de publieke omroepen opgenomen.

Tabel 15.1: Programmavoorschriften in percentages
Informatie en educatie 35%* Alle omroepverenigingen samen
Kunst 12,5% Alle omroepverenigingen samen
  20% NPS
Cultuur (inclusief kunst) 25% Alle omroepverenigingen samen
  40% NPS
Minderhedenprogramma's 20% Televisiezendtijd NPS
  25% Radiozendtijd NPS
Verstrooiing 25% Maximaal per net
Europese producties 50% Per net
Opdrachtproducties 25% Publieke omroep als geheel, minimaal 17,5% per net
Oorspronkelijk Nederlands of Fries 50% Per omroepinstelling
Daarvan ondertiteld voor doven 50% Publieke omroep als geheel

* De percentages hebben betrekking op de totale zendtijd van de publieke omroep en betreffen minimale percentages, tenzij anders vermeld.


Het percentage voor ondertiteling is niet wettelijk vastgelegd, maar betreft een afspraak met de landelijke publieke omroep die tevens inhoudt dat in 2010 alle programma's worden ondertiteld.


Ook voor de commerciële omroepen gelden enkele programmatische voorschriften. Deze vloeien grotendeels voort uit Europese richtlijnen. De voorschriften betreffen in hoofdzaak regels voor reclame (maximaal 15% van de duur van het programma per dag), opdrachtproducties (10%), Europese producties (50%) en oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige onderdelen (40%). Voor het toezicht op de commerciële omroepen is eveneens het Commissariaat voor de Media verantwoordelijk.

In opdracht van de raad van toezicht van de publieke omroep heeft de visitatiecommissie Rinnooy Kan het functioneren van de publieke omroep geëvalueerd. De commissie constateert knelpunten in aanbod en bereik als gevolg van een slecht functionerende organisatie. In een brief aan de Tweede Kamer zijn verbetervoorstellen gedaan voor de korte termijn. Ter voorbereiding op verbeteringen voor de lange termijn (afronding wetgeving 1 januari 2007, inwerkingtreding 1 september 2008) is aangekondigd dat het kabinet met een visie over de toekomst van de publieke omroep komt. Daarbij staan twee kernvragen centraal: wat zou de rol, taak en functie van een publieke omroep in de samenleving moeten zijn? De tweede daaropvolgende vraag betreft de inrichting van een publieke omroep: hoe kan de maatschappelijke inbedding van de publieke omroep het beste georganiseerd worden? Naar verwachting wordt in het voorjaar van 2005 de visie over de toekomst van de publieke omroep naar de Tweede Kamer gestuurd.

De visitatiecommissie constateert verder dat de publieke omroep te weinig gemeenschappelijke en concrete doelen stelt. Deze doelen zouden vertaald moeten worden in een prestatieafspraak tussen de overheid en de publieke omroep, waarbij de overheid voldoende afstand bewaart tot de inhoud van de programma's. Tegelijkertijd moeten de afspraken leiden tot een gevarieerder en aansprekender aanbod van programma's. In 2004 worden het proces en de methode van de prestatieafspraken vastgesteld. Na de versterking van de positie van de Raad van Bestuur worden op basis van het concessiebeleidsplan in 2005 de prestatieafspraken voor drie jaren verder ingevuld. De verantwoording over een verstreken jaar moet dan jaarlijks voorafgaand aan de nieuwe begrotingscyclus plaatsvinden.

Wat mag het kosten?

De mediabegroting is in het kader van de efficiencytaakstelling ingevolge het regeerakkoord Balkenende I en het hoofdlijnenakkoord Balkenende II een korting opgelegd van € 40 miljoen in 2004, € 60 miljoen in 2005, € 70 miljoen in 2006 en uiteindelijk € 80 miljoen in 2007. Uitgangspunt is dat besparingen zo veel mogelijk in de overhead en efficiency van de organisatie worden geboekt en dat kijkers en luisteraars zo min mogelijk van de bezuinigingen merken.

Deze structurele bezuinigingen moeten worden opgebracht door alle instellingen die vanuit de mediabegroting gesubsidieerd worden. In de mediabegroting is een verhouding 80–20 tussen de landelijke publieke omroep en de overige bekostigde media-instellingen. Deze verhouding wordt ook gehanteerd bij het verdelen van de opgelegde bezuinigingen. De landelijke publieke omroep zal aldus € 64 miljoen van de totale bezuiniging van € 80 miljoen voor zijn rekening nemen. De bezuinigingen op de overige bekostigde media-instellingen zijn vooral neergelegd bij de Wereldomroep en het Muziekcentrum van de Omroep (MCO). Voor de Wereldomroep betekent dit voor 2005 een bezuiniging van € 3,3 miljoen, oplopend naar € 5,5 miljoen in 2007. Voor het MCO bedraagt de bezuiniging € 4,5 miljoen in 2005, oplopend naar € 6,5 miljoen in 2007. Het resterende deel van de bezuiniging is opgelegd aan het Bedrijfsfonds voor de Pers, het Nederlandse Omroepproduktie Bedrijf, het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid, de Organisatie van Lokale Omroepen in Nederland en het Commissariaat voor de Media.


In het kader van het terugdringen van het financieringstekort wordt in 2006 een additionele bezuiniging op de landelijke publieke omroep doorgevoerd van € 11 miljoen structureel. Daarnaast is er voor het jaar 2006 een taakstelling van € 10 miljoen incidenteel. De invulling van deze bezuinigingen wordt in de begrotingsbrief media (november 2004) uitgewerkt.


Op grond van de Mediawet stelt de minister in overleg met het parlement jaarlijks vast welke bedragen beschikbaar zijn voor de publieke omroepen en de andere media-instellingen. De inkomsten bestaan uit de rijksomroepbijdrage, de reclameontvangsten en de rente op de algemene omroepreserve. De uitgaven gaan naar de publieke omroep en naar andere media-instellingen.


In onderstaande figuur is schematisch weergegeven hoe de financiële stromen lopen in het Nederlandse publieke omroepbestel.

Figuur 15.1 Financieringsstelsel media 2004 – stand mediabrief 2004 (x € 1 miljoen)



kst77491_2_06.gif

* genoemd bedrag betreft de dotatie aan de algemene omroepreserve

Prestatiegegevens en evaluatieonderzoek

Dagelijks laat de publieke omroep door kijk- en luisteronderzoek meten in hoeverre de streefwaarden van de publieke omroep worden gehaald. Van de onderzoeksuitkomsten worden wekelijkse, maandelijkse en jaarlijkse rapportages vervaardigd. Met behulp van deze rapportages kan de programmering van de publieke omroep goed worden gevolgd. Elk jaar worden ook kerngegevens van de publieke omroepinstellingen verzameld over de publieke televisie- en radionetten. Het Commissariaat voor de Media rapporteert op grond van deze gegevens of de programmavoorschriften zijn nageleefd.

15.2.2 Migranten

Wat willen we bereiken?

De doelstelling van het beleid is het bereiken van een meer evenwichtige representatie van de verschillende bevolkingsgroepen in het algemene media-aanbod en het bevorderen van de actieve en passieve participatie van minderheden in de media. Naast de al genoemde algemene voorschriften uit de Mediawet gericht op minderheden, zijn er specifieke beleidsonderdelen die zich hierop richten.

Wat gaan we daarvoor doen?

OCW stelt samen met de vier grote steden budget beschikbaar gesteld aan Multiculturele Televisie Nederland (MTNL). Deze organisatie is in 2001 door OCW en de vier grote steden opgericht en zij produceert voor de vier grote doelgroepen (Surinamers, Antillianen, Marokkanen en Turken) wekelijks per groep drie kwartier tweetalig actueel nieuws en informatie in een modern programmaformat. De programma's worden uitgezonden via de regionale en lokale omroepen en concentreren zich op informatie, kennisoverdracht, opinievorming, cultuur en human interest. De huidige convenantperiode loopt eind 2004 af. Rotterdam heeft te kennen gegeven niet deel te gaan nemen in een nieuw convenant. Door OCW en de drie andere grote steden is gekozen voor voortzetting met wederom vier jaar met een koerswijziging in interculturele richting.

Daarnaast, wordt eveneens in samenwerking met de vier grote steden voor vier jaar (2003–2006) FunX gefinancierd. FunX is een multiculturele radiozender voor de grote steden die zich met een mix van plaatselijke informatie en muziek richt op jongeren. Ook investeert FunX in de opleiding van jonge multiculturele programmamakers. Vanaf januari 2003 is het radiostation te beluisteren in de vier grote steden. Uit recent luisteronderzoek blijkt dat FunX zeer positief door de beoogde publieksgroep gewaardeerd wordt. Ook hier is gekozen voor een combinatie van centrale en decentrale productie.

Wat mag het kosten?

In 2005 wordt aan het MTNL een budget beschikbaar gesteld van € 2,6 miljoen en aan FunX € 0,9 miljoen. De vier grote steden dragen zowel aan MTNL als FunX € 0,9 miljoen bij.

Prestatiegegevens en evaluatieonderzoek

Begin 2004 zijn bereik en kwaliteit van de programma's en de onderlinge samenwerking van MTNL geëvalueerd. MTNL zal op grond van afspraken met OCW en Amsterdam, Den Haag en Utrecht een meer interculturele programmering gaan verzorgen in de nieuwe vierjarige convenantperiode. In de loop van 2005 vindt een onafhankelijke evaluatie plaats over het functioneren en bereik van FunX.

15.2.3 Pers

Wat willen we bereiken?

De doelstelling van het beleid is het instandhouden van de pluriformiteit van de pers, in het bijzonder van de dag- en nieuwsbladen en opinietijdschriften. De mate van pluriformiteit wordt uitgedrukt in het aantal redactioneel zelfstandige bladen dat op de markt verschijnt: de externe pluriformiteit. Daarnaast vertonen bladen in toenemende mate ook interne pluriformiteit: zij besteden aandacht aan uiteenlopende opvattingen in de samenleving.

Wat gaan we daarvoor doen?

Een belangrijk instrument is het Bedrijfsfonds voor de pers (opgericht in 1974 en als zelfstandig bestuursorgaan verankerd in de Mediawet) dat financiële steun kan verlenen aan persorganen, die vallen binnen de werkingssfeer van het Bedrijfsfonds (artikel 129 van de Mediawet). Het Bedrijfsfonds voor de pers heeft hiervoor verschillende instrumenten beschikbaar. Het instrumentarium van het Bedrijfsfonds voor de pers is in juli 2002 uitgebreid met twee nieuwe regelingen: een stimuleringsregeling voor bladen die zich speciaal richten op minderheden in ons land en een regeling voor journalistieke informatieproducten via het internet. De eerste regeling heeft een looptijd van 4 jaar, met een evaluatie in het derde jaar. De tweede regeling heeft een looptijd van 3 jaar, met een evaluatie na 2 jaar.

In de kabinetsreactie op de adviezen van de Raad voor maatschappelijke ontwikkeling (RMO) en de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) over politiek en media (Kamerstukken II, vergaderjaar 2003–2004, 29 692, nr. 1) is de zorg verwoord over de verdeling van opiniemacht en mogelijk misbruik daarvan. Het «bezit» of de «controle» van media in een beperkt aantal handen is een potentieel politiek instrument – voor grote bedrijven of voor zittende of aankomende politici. Dit is bedreigend voor de vrije en pluriforme publieke meningsvorming. Het kabinet is daarom van mening dat – naast de reguliere fusietoets door de NMA – een «pluriformiteitstoets» dient plaats te vinden bij de beoordeling van voorgenomen mediaconcentraties.

Wat mag het kosten?

Alle steunverlening vindt plaats ten laste van middelen waarover het Bedrijfsfonds reeds beschikt. Er wordt in 2005 niet gedoteerd aan het Bedrijfsfonds voor de pers.

Prestatiegegevens en evaluatieonderzoek

Voor het volgen van ontwikkelingen in de pers wordt gebruik gemaakt van de persmediamonitor van het Bedrijfsfonds voor de pers (www.persmediamonitor.nl). Deze monitor bevat onder andere informatie over dag-, nieuws-, huis-aan-huis-bladen en tijdschriften.

Het Commissariaat voor de Media is in 2001 begonnen met een monitor naar concentratietendensen in de mediasector. In mei 2003 is de tweede rapportage uitgebracht.

15.2.4 Verdeling en digitalisering van infrastructuren

Wat willen we bereiken?

De doelstelling van het beleid voor de elektronische infrastructuur is het stimuleren van keuzevrijheid, betaalbaarheid en tegelijkertijd bescherming van consumenten. Door digitalisering van kabel en ether ontstaat meer distributiecapaciteit en mogelijkheden voor nieuwe diensten.

Wat gaan we daarvoor doen?

De digitalisering van de kabel komt, mede door het tegenzittende economische klimaat, moeizaam op gang. De ministeries van EZ en OCW overleggen met de sector over de noodzakelijke maatregelen om hier meer schot in te krijgen. Voor alle platforms is het van belang tot open standaarden te komen. Voor de productie en transmissie van radio- en televisieprogramma's is hierin al veel bereikt, maar voor de interactieve toepassingen en nieuwe diensten bestaat nog weinig overeenstemming. Het kabinet steunt daarom de samenwerking tussen partijen in de sector om tot Europese standaarden te komen.

Wat mag het kosten?

Het onderdeel digitalisering brengt naar verwachting in 2005 geen kosten met zich mee. De kosten voor de verdeling van de commerciële radiofrequenties in 2005 bedragen circa € 0,5 miljoen.

Prestatiegegevens en evaluatieonderzoek

Voor het volgen van de ontwikkelingen wordt gebruik gemaakt van publiek beschikbare rapportages als de breedbandmonitor.

15.3 Budgettaire gevolgen van het beleid

De omroepmiddelen die op de mediabegroting worden verantwoord zijn samengesteld uit de rijksomroepbijdrage (die jaarlijks wordt vastgesteld in de rijksbegroting), de reclame-inkomsten van de Ster en de rente van de algemene omroepreserve. Het wettelijk vastgestelde basisniveau van de rijksomroepbijdrage wordt conform de Mediawet jaarlijks geïndexeerd.

De ontvangsten bestaan hoofdzakelijk uit reclame-inkomsten van de Ster, die jaarlijks fluctueren afhankelijk van de marktsituatie, en daarnaast uit de rente op de algemene omroepreserve. De ontvangsten van de Ster worden door de Ster geraamd op basis van de geschatte marktgroei op grond van de economische verwachtingen en de aantrekkelijkheid van het publieke radio- en televisieaanbod. De Ster-ontvangsten worden ook door de NOS geraamd in haar meerjarenbegroting. Op grond van beide ramingen stelt OCW de raming van de ontvangsten van de Ster vast in de mediabegroting.

Tabel 15.2: Budgettaire gevolgen artikel 15 (x € 1 000)
  2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009
Verplichtingen 878 009 880 345 852 868 839 582 842 245 859 963 864 835
Waarvan garanties 0 0 0 0 0 0 0
Programma-uitgaven 880 707 880 834 852 868 839 582 842 245 859 963 864 835
Ontvangsten 253 542 341 220 256 785 269 785 267 785 281 103 281 103
De rijksomroepbijdrage bedraagt 658 457 646 633 631 766 605 685 610 483 615 256 620 128
Uitgaven artikel 880 707 880 834 852 868 839 582 842 245 859 963 864 835
Publieke omroep 875 127 876 677 848 810 835 729 838 527 856 300 861 172
Migranten 3 366 3 518 3 518 3 518 3 518 3 518 3 518
Zero Base 2 214 639 540 335 200 145 145
Pers
Infrastructuren
Ontvangsten (m.n. STER) 216 861 302 339 219 004 232004 230 004 243 322 243 322
Ontvangsten Zero Base 36 681 38 881 37 781 37 781 37 781 37 781 37 781
Saldo uitgaven en ontvangsten 627 165 539 614 596 083 569 797 574 460 578 860 583 732

De uitgaven zijn uitgesplitst naar de verschillende operationele doelstellingen.

15.4 Budgetflexibiliteit

Jaarlijks stellen de NOS en de Wereldomroep een meerjarenplan op waarin voor een periode van vijf jaar de verwachte uitgaven zijn geraamd. De andere instellingen dienen jaarlijks een begroting in.


Mede op grond hiervan wordt de Tweede Kamer in het najaar door middel van een begrotingsbrief bericht over de meest recente inzichten omtrent inkomsten en uitgaven voor het volgende jaar. De Tweede Kamer kan aan de hand van deze begrotingsbrief een oordeel geven over de uitgaven en over de hoogte van het wettelijk vastgestelde minimumniveau van de rijksomroepbijdrage. De uitgaven liggen na de behandeling in het parlement juridisch vast in de rijksbegroting.

Er is sprake van een gesloten uitgavenpatroon, dat wil zeggen dat de uitgaven die in het kader van de mediawet en begrotingsbrief plaatsvinden, uitsluitend aan mediadoeleinden kunnen worden besteed.

Tabel 15.3: Budgetflexibiliteit artikel 15 (x € 1 000)
    2005   2006   2007   2008   2009
1.Totaal geraamde kasuitgaven   852 868   839 582   842 245   859 963   864 835
2.Waarvan apparaatsuitgaven                    
3.Dus programma-uitgaven   852 868   839 582   842 245   859 963   864 835
Waarvan op 1 januari van jaar t                    
4.Juridisch verplicht 100% 850 968 100% 837 882 100% 840 345 100% 858 063 100% 862 935
5.Complementair noodzakelijk                    
6.Bestuurlijk gebonden (maar niet juridisch) 0% 1 300 0% 1 300 0% 1 300 0% 1 300 0% 1 300
7.Beleidsmatig gereserveerd (o.g.v. een wettelijke regeling of beleidsprogramma)                    
8.Beleidsmatig nog niet ingevuld 0% 600 0% 400 0% 600 0% 600 0% 600
Totaal 100% 852 868 100% 839 582 100% 842 245 100% 859 963 100% 864 835

15.5 Veronderstellingen in effectbereik, doelmatigheid en raming

Met betrekking tot de systematiek van de indexering wordt een wijzigingsvoorstel in de Mediawet voorbereid. Het gaat om een wijziging van de grondslag van de indexering. Om deze gelijk te trekken met de andere sectoren zal de grondslag van de indexering niet meer gebaseerd zijn op voorafgaande (t-1), maar op het lopende jaar (t). Er wordt naar gestreefd deze wetswijziging per 1 januari 2005 in te laten gaan.


De reclame-inkomsten van de Ster zijn in het bijzonder afhankelijk van economische ontwikkelingen en programmatische inspanningen.